Kenniseconomie: samenwerking én competitie

in Publieke Sector, 19.04.2013

Schaalvergroting, allianties en publiek-private samenwerking zijn inmiddels veel gebruikte termen in het onderwijs- en onderzoeksbestel. Waarom deze nog steeds groeiende aandacht voor allerlei vormen van samenwerking en de wisselende opvattingen over het succes ervan tot nu toe? De wisselende opvattingen over het succes lijken zelfs te leiden tot stevige ingrepen in de autonomie van kennisinstellingen. Helpt dat?

Complexiteit is een sign of the times in alle delen van de maatschappij. Ook in het kennis- en onderwijsdomein is dat evident, met onder meer een grote mate van overlap in activiteiten en verantwoordelijkheden van de verschillende organisaties. Het gevolg daarvan is dat organisaties steeds meer van elkaar afhankelijk zijn voor hun eigen succes. Dat vraagt om sturing vanuit een netwerkbenadering.

Tegelijkertijd heeft elke partij haar eigen autonome taken, verantwoordelijkheden en professionaliteit en hecht men ook – mede vanuit de eigen historie en identiteit – aan die autonomie. In zo’n ambigue omgeving zal samenwerking alleen succesvol zijn als er recht wordt gedaan aan de onderlinge verschillen. Het gaat om het vinden van de juiste balans tussen onderlinge afhankelijkheid en onafhankelijkheid en tussen samenwerken en competitie: ‘smart collaboration’. Zodanig dat er flexibiliteit blijft bestaan om ook op toekomstige ontwikkelingen in te kunnen spelen. Smart collaboration verbetert de prestaties in het kennisdomein en vermijdt inefficiëntie en overbodige overlap op netwerkniveau.
Er staat veel op het spel, want in de kenniseconomie is een netwerkbenadering geen luxe maar pure noodzaak om concurrerend te blijven.

We moeten dan ook juist nu vol in blijven zetten op samenwerkingsverbanden en leren van de ervaringen van de afgelopen jaren. Een van de leerpunten is dat we vanuit de inhoud moeten denken en de keuzes voor partners en partnerships goed onderbouwen. Dan hoeven we ook niet bang te zijn voor verschillende soorten publiek-private arrangementen of voor vergaande samenwerkingsvormen. En dan faciliteren we ook de benodigde flexibiliteit op de langere termijn.

Natuurlijk is er geen succesrecept voor samenwerking. Elke situatie vraagt immers om een maatwerkbenadering. Er zijn echter wel twee algemene uitgangspunten.

Ten eerste is het zaak om bij het aangaan van een samenwerking de doelen van de samenwerking goed te definiëren. Gaat het om gezamenlijke kennisontwikkeling? Of wordt er helemaal niet op inhoud samengewerkt en gaat het alleen maar om efficiency in de bedrijfsvoering? Hebben partijen daarbij hetzelfde ambitieniveau? En dezelfde tijdshorizon? Het lijken basale vragen die echter vaak onvoldoende aandacht krijgen.

Ten tweede moeten de randvoorwaarden helder in kaart worden gebracht. Welke praktische punten pleiten voor welke vorm van samenwerking? Passen de organisatieculturen wel bij elkaar? Welke risico’s brengt samenwerking met zich mee? Hoeveel kunnen partijen aan en willen zij dat ook? In het bedrijfsleven is het een goede gewoonte om deze factoren met een due diligence onderzoek boven water te krijgen. Het kennisveld besteedt er nog veel minder aandacht aan.

Door de genoemde twee punten vanaf het begin consistent voor ogen te houden bij het aangaan van samenwerking in welke vorm dan ook ontstaat een tweeledig effect. Partijen worden gedwongen over de inhoud te praten en niet (alleen maar) vanuit een bestuurlijk perspectief naar de zaak te kijken. En er ontstaat ruimte om over verschillende vormen van samenwerking te praten: de vorm van de samenwerking is een afgeleide van de doelstellingen en randvoorwaarden en niet andersom. In een ‘smart collaboration’-aanpak ontstaat ruimte om precies die samenwerkingsvorm te kiezen die is toegesneden op de specifieke situatie.

Tot slot. Vrijwel alle betrokken partijen zijn het erover eens dat goede samenwerking veel moois kan opleveren voor Nederland als geheel. Het onderwijs- en innovatiebeleid richt zich daar ook nadrukkelijk op. Om dat in de praktijk van de grond te laten komen en in stand te houden is het zaak om niet in te grijpen in de autonomie van instellingen door aanvullende wet- en regelgeving. Zij moeten juist het vertrouwen krijgen dat ze samen met private partijen tot goede dingen kunnen komen en zo samen flexibel inspelen op ontwikkelingen. Dat vergt politieke moed, maar is de beste – en waarschijnlijk ook de enige – manier om de ambities die in beleidsplannen zijn vervat ook om te zetten in klinkende resultaten.


Leave a Reply

Your email address will not be published.